Collecties

Werkplaats

lakkerij

smederij

Een belangrijk onderdeel van het schaatsenmaken is het smeden van de schaatsijzers. Van oorsprong was het vooral de smid die schaatsen maakte. In een dorpsgemeenschap met beperkt verzorgingsgebied zal het veelal productie op bestelling zijn geweest.Het maken van schaatsen was een proces van samenwerking van verschillende ambachtslieden.

De ijzers voor de schaatsen werden door een smid gemaakt omdat hij doorgaans de enige ijzerbewerker was. Schaatsijzers konden gemaakt worden met dezelfde tangen en hamers die voor het normale smidswerk ook nodig waren. Het smidsvak is een van de oudste beroepen ter wereld. 3000 jaar voor Christus wordt het handwerk van de smid al beschreven.

Zijn vakmanschap draagt niet alleen bij aan de ontwikkeling van jacht- en visgerei, maar ook van gereedschap en wapens. De smeedkunst staat dan ook hoog in aanzien.

Echter doordat de industrialisatie haar intrede doet wordt dat in het begin van de 20e eeuw steeds minder belangrijk, het ene smidsvuur na het andere werd voorgoed gedoofd.

schaatsenmakerij

Het maken van de schaatshouten bleef heel lang handwerk, vooral bij de kleine bedrijven. Voor deze ambachtelijke productie werd het leerwerk (hakleer, teenleer en veter) geleverd door de schoen- of zadelmaker. Overigens deden zadelmakers meer dan de naam doet vermoeden; ze maakten bijvoorbeeld ook paardentuigen, pompleertjes en riemen voor een sjees.

Schaatsen werden dus vrijwel nooit in hun geheel door één persoon gemaakt. De verkoop was meestal in handen van een smid of een timmerman.

Voor de schaatshouten werd meestal gestoomd beukenhout gebruikt. Verschillende handwerkslieden hielden zich hier mee bezig: de timmerman, de wagenmaker, de meubelmaker en de scheepsbouwer. Net als de smid hadden zij genoeg aan hun normale gereedschap.

Schaatscollectie

Rolschaats

Sinds 2008 bezit het Schaatsmuseum een uniek collectie rolschaatsen. Het laat een duidelijk beeld zien van rolschaats tot de nieuwste ontwikkeling De Skeeler.

Een rolschaats is een schoen met wielen, waarmee vooruit gekomen kan worden door een schaatsbeweging te maken. De rolschaats werd voor het eerst in 1863 door zijn uitvinder James Plimpton aan het grote publiek getoond. Deze uitvinding is echter serieus te betwisten. Plimpton was degene die als eerste een patent nam.

Kortebaan

Het kortebaanschaatsen heeft de oudste rechten van de tegenwoordige schaatssportdisciplines. Vast staat, dat reeds in de 18e eeuw in Friesland regelmatig wedstrijden werden gehouden. In 1805 werd het eerste inNederland groots opgezette sportevenement gehouden. In dat jaar kregen de vrouwen te Leeuwarden gelegenheid hun krachten op het ijs te meten. Het festijn werd door duizenden toeschouwers bijgewoond.

Toen in de jaren tachtig en negentig in de vorige eeuw de overkoepelende organisaties (K)NSB en ISU werden opgericht, was er bij hen geen plaats voor de kortebaan. De bestuurders prefereerden de langebaan, een discipline die uit Engeland overgewaaid was. Bovendien genoot de amateursport de voorkeur boven het beroepsschaatsen, dat de basis voor de kortebaansport vormde. Een overkoepelend orgaan voor de kortebaan kwam pas in 1919 tot stand, de Bond van IJsclubs. Een aantal ijsverenigingen vond samenwerking noodzakelijk, omdat de topschaatsers de dienst op de wedstrijden uitmaakten; over de verdeling van het prijzengeld werd door hen vaak buiten de wedstrijdbaan afspraken gemaakt, waardoor het sportieve karakter van de oude sporttraditie een ongunstige naam kreeg. Het duurde overigens lang, voordat het zogenaamde parten verdween. Een ander voornemen kwam wel goed van de grond, namelijk de regeling *van de kampioenschappen. Een ander succes was de federatie met bonden uit Groningen en Drente in 1934. Daardoor kreeg men beter grip op dubieuze praktijken, die schaatsers nog al eens toepasten, bijvoorbeeld inschrijven op twee wedstrijden op één dag.

De bestuurlijke reorganisatie, die na de Tweede Wereldoorlog werd doorgevoerd, leidde er toe dat de Bond van IJsclubs zich bij de KNSB aansloot. De amateur- en beroepssport bleef vooralsnog gescheiden. Ook was er sprake van dat de rijders zich zouden organiseren. Een van de initiatiefnemers was Abe Lenstra, een befaamd voetballer maar ook een vooraanstaande kortebaanrijder. De belangstelling voor de kortebaan nam nog altijd een belangrijke plaats in van de schaatsliefhebbers, vooral in Friesland. De toeschouwers kwamen massaal naar de hardrijderijen waar de top van de vrouwen aanwezig was. Zo trokken twee nationale kampioenschappen, die in de jaren zestig te Drachten en Dokkum werden gehouden, elk ruim drieduizend toeschouwers.

In 1963 viel een belangrijk besluit. Het prijzensysteem werd aangepast, om alle schaatsers gelegenheid te geven alle disciplines te kunnen beoefenen. Prijzen werden nu gegeven in de vorm van waardebonnen. De kortebaansport bleek bij het nieuwe systeem weinig baat te hebben. Maar dat mag niet als enige reden worden aangevoerd voor het feit dat deze tak van de schaatssport snel aftakelde en na 1970 geen rol van betekenis meer speelde. De aanleg van kunstijsbanen (o.a. te Heerenveen in 1967) stimuleerde vooral de langebaansport. Een aantal ijsloze winters deed de kortebaan evenmin goed.

Terwijl vroeger veel deelnemers en toeschouwers op de kortebaanwedstrijden afkwamen, is de belangstelling tegenwoordig van beide groepen gering. De integratie van de kortebaan heeft er niet toe geleid dat het prestige van deze sporttraditie gehandhaafd bleef, ondanks de inspanningen van een aantal ijsclubs. Duidelijk is, dat de grote dagen voor de kortebaansport achter ons liggen.

De tijd dat het schaatsen op de kortebaan in Fryslân meer tot de verbeelding sprak dan de Elfstedentocht is al lang voorbij. In 1940 was de finish van de Elfstedentocht op de Stadsgracht te Leeuwarden, terwijl daar ook een kortebaanwedstrijd werd verreden. Tegenwoordig worden geen extra natuurijsevenementen op de dag van de Elfstedentocht meer gehouden

Mannen

Drie schaatsers die nationale titels op de kortebaan haalden, kwamen een of meer keren voor in de wedstrijduitslag van de Elfstedentocht.

Jolle de Jong:

reed zich in de Elfstedentocht in 1940 bijna in de prijzen. Hij won twee maal de kortebaantitel, viel 69 maal in de prijzen en won ruim f 3000,- in zijn carrière. In de jaren twintig en dertig was dat een hoog bedrag.

Marten Hoekstra :

won in 1968 de nationale kortebaantitel. Drie maal werd hij Fries kampioen. Hij legde zich later toe op de langebaan en het marathonschaatsen. In het laatstgenoemde onderdeel won hij 23 wedstrijden op kunstijs.

Piet de Boer :

nam liefst elf nationale kortebaantitels voor zijn rekening. Hij viel 103 maal in de prijzen en plaatste zich 25 maal in de finaleronde van een titeltoernooi (nationaal en gewestelijk). Later stapte hij over op het marathonschaatsen. De Jellumer reed drie Elfstedentochten uit. Tegenwoordig neemt hij deel aan het marathoncircuit bij de veteranen.

Twee vooraanstaande kortebaanschaatsers uit de jaren twintig en dertig behaalden medailles in de Elfstedentocht.

Gerrit Duiker in 1940 en Sjoerd Molenaar in 1941.

Vrouwen

Eerste Friese Schaatsmuseum & Pannenkoekhuis "De Friese Doorloper"
Kleine Weide 1-3 Hindeloopen
Telefoon: 0514 52 16 83
e-mail info@schaatsmuseum.nl

Ontwerp en hosting: ViaISN.org.